www.marionpauw.nl , alles over de Nederlandse auteur Marion Pauw. Op deze site leest u alles over haar leven en haar boeken d.m.v. fragmenten, recensies, artikelen en interviews.
Zondaarskind
Luxe paperback, 288 blz.
€ 19,95
ISBN 978 90 414 1430 4
Zondaarskind

De tachtigjarige Geertruida Amalia Langhout heeft altijd moeten vechten voor haar bestaansrecht. Op jonge leeftijd verliest ze haar ouders en ze groeit op bij de hardvochtige Zusters van de Liefde. Ze wordt, net als de andere kinderen, niet bij haar naam genoemd, maar aangeduid met een nummer. Als ze als dienstbode bij een gegoede familie in Bussum komt te werken lijkt het tij te keren: ze wordt verliefd, raakt zwanger en heeft grootse plannen. Totdat Frédérique Vos haar pad kruist.
Vrouwen als Frédérique Vos gaan er geen seconde van uit dat de wereld niet om hen draait. Ze dartelen binnen op hun hoge hakken, pakken je man en kind af en nemen je geld. Zonder ook maar één vlek te maken op hun beeldige witte handschoentjes. Is Amalia, oud en wijs geworden, eindelijk in staat om te doen wat ze al lang had moeten doen, namelijk wraak nemen op haar oude vijandin?
Met Zondaarskind trekt Marion Pauw alle registers open en bewijst ze opnieuw dat haar inlevingsvermogen geen grenzen kent.
Binnenkort staat hier een bericht van Marion Pauw over Zondaarskind.
‘Ik hoor hier niet.’
Zo begin ik de dag, iedere dag opnieuw, nog voor ik mijn ogen opendoe.
Het is de waarheid. Ik hoor hier niet. Het is een gruwelijke vergissing van de Oppermachtige dat ik terechtgekomen ben in dit mistroostige gebouw met de misleidende naam ‘De Smaragd’. Evenals het een gruwelijke vergissing is dat ik erin ben geslaagd om tachtig jaar oud te worden, zonder ooit het gevoel gehad te hebben dat ik lééfde.
Ik moet die woorden uitspreken. Ik moet ze horen, zodat ik weet dat ik nog steeds Geertruida Amalia Langhout ben en niet zomaar een bejaarde die ze ergens hebben weggestopt. Alleen al het woord: bejaarde. Is er een woord dat begint met ‘be-’ dat niet op iets gruwelijks duidt? Be-hoeftig. Be-legen. Be-drogen. Be-lachelijk.
Het enige dat ik kan bedenken wat nog enigszins positief klinkt, is het woord be-leefd. En wat zijn we daar met z’n allen nou mee opgeschoten? Ver-leefd is een betere omschrijving voor mijn huidige toestand. Of ver-jaard.
Genoeg woordspelletjes. Al is het niet vreemd dat ik woordspelingen maak. We cryptogrammen wat af in De Smaragd. En als we alle antwoorden met potlood hebben ingevuld, gumt de zuster ze uit voor de volgende puzzelaar. Naarmate er vaker gegumd is, blijven de afdrukken van de letters steeds hardnekkiger staan. Zo kunnen zelfs de dementerenden onder ons nog een leuk potje hersengymnastiek doen.
Ik ben hier omdat ik moet revalideren. Men vond het niet verantwoord om mij alleen te laten. Moet je je voorstellen: eens woonde ik heel plezierig in een fijn appartement met een tuin waar de hele dag de zon scheen. Ik kookte zelf, draaide mijn eigen was en deed mijn eigen boodschappen. Al had ik natuurlijk wel Norma. Een flinke meid die iedere veertien dagen het huis sopte. Mijn enige aanmerking op haar was dat ze zo binnensmonds praatte dat ik haar nauwelijks kon verstaan.
Norma kwam al vijftien jaar bij me. We hadden het goed samen. Het enige dat ze ooit tegen me zei, waren dingen als: ‘U moet weer nieuwe allesreiniger kopen, mevrouw Langhout.’ En dat klonk dan als ‘aosreiger’. Afgezien van deze dienstmededelingen dronken we zwijgend onze koffie. Want dat hoort zo, koffiedrinken met de hulp. Doen ze tegenwoordig ook niet meer, als je het mij vraagt.
Behalve Norma zag ik niet veel mensen. Er kwam wel eens iemand langs van de Thuiszorg, die ik altijd zo snel mogelijk de deur uit werkte. Wat heb je aan mensen die alles beter weten?
Nu ik opgesloten zit in deze zuurstofloze sterffabriek, besef ik pas hoe goed ik het had.

Alles is nu anders, door het ongelukkige voorval op 15 januari jongstleden. Het gebeurde vlak na het douchen. Dat deed ik destijds iedere dag, anders dan hier, hier hebben ze maar twee keer per week tijd om mij te wassen, waardoor ik vermoedelijk stink, maar zeker weten doe ik het niet. Toen ik voor het eerst De Smaragd werd binnengereden, anderhalve maand geleden, werd ik misselijk van de bedompte lucht die er hing, al was het beter dan de steriele geur van het ziekenhuis. Nu maak ik er zelf deel van uit. De geur van belegen mens.
Vroeger in het weeshuis was het nog veel erger. Daar werd je maar eens per week gewassen en moest je nog een wit gewaad aanhouden tijdens het soppen ook. Maar in die tijd lagen de hygiënenormen sowieso heel anders. Iederéén stonk. Laten we het daar maar op houden.
Ik had mezelf op die fatale dag ingezeept met Fa lemon mint. Een douchegel die ik gebruikte vanaf de dag dat het op de markt is gekomen. ‘De zachte formule met limoen- en muntextracten verfrist je zintuigen en geeft een verfrissend gevoel op je huid,’ stond er op de fles. Het leek me het perfecte antiserum tegen de ouderdom. Ik had me waarschijnlijk niet goed afgespoeld, waardoor er limoen- muntschuim van mijn natte lichaam naar beneden was gedropen. Het badkamerkleedje zat nog in de droger en de tegels waren glad geworden. Ik stapte uit de douchebak en ging meteen onderuit.
Het maakt me woedend dat uitgerekend ik, die altijd geweigerd heb om oud te zijn, getroffen werd door zo’n typische bejaardenaandoening: ik brak mijn heup.
Het enige goede nieuws hierbij is dat de dokter me later heeft verzekerd dat mijn botten in uitstekende conditie waren voor iemand van mijn leeftijd. Me dunkt, niet voor niets beoefen ik al veertig jaar lang iedere dag yoga, en wandel ik bij droog weer een rondje Vondelpark. Ook ben ik altijd een fervent voorstander van voedingssupplementen geweest.
Als ik één wijze raad mag geven, laat het dan deze zijn: het is extreem belangrijk om goed voor jezelf te zorgen. Anderen hebben mij daardoor weleens als egoïstisch bestempeld. Het zij zo. Zíj zijn nu allemaal dood, dement of incontinent, ik weet niet wat van de drie erger is.
Ik geef eerlijk toe dat ik naar de medewerkster van de Thuiszorg (Miranda? Katelijn? Gemma?) had moeten luisteren toen ze zei dat mijn douchebak een te hoge rand had. Ze bood zelfs aan om op kosten van de gemeente – god mag weten wat er allemaal wordt gesubsidieerd en vergoed vandaag de dag – de douchebak te laten verwijderen en te vervangen door aflopende tegels.
‘Dat is me te veel werk,’ antwoordde ik toen. ‘Heb je enig idee wat voor een kliederboel het dan wordt? Kan ik iedere keer na het douchen de hele badkamer dweilen. Nee, dank je.’
Ze schudde meewarig haar hoofd. ‘Ik kan u niet dwingen, mevrouw Langhout.’
Triomfantelijk antwoordde ik: ‘Dat kun je zeker niet. En ik ga ook niet naar je dagopvang en ik doe niet mee aan die stomme telefooncirkel.’ ‘Het is fijn dat u nog zo goed bij bent. En we zullen het zeker stimuleren dat u zo lang mogelijk zelfstandig blijft wonen. Maar u moet niet overmoedig worden. Per slot van rekening wordt u al een dagje ouder. Ik denk dat we die nieuwe douchevoorziening gewoon maar moeten laten komen.’ Ze maakte een aantekening in haar map. Dat is ook zoiets, dat ze een hele map over je bijhouden.
‘“We” moeten helemaal niets.’
‘Als u bang bent dat het te veel werk wordt met schoonmaken, kunnen we ook regelen dat u daarvoor iemand krijgt.’
‘Ik heb al iemand. En ik wil jouw bemoeienis niet.’
Miranda/Katelijn/Gemma – en denk niet dat ik de naam niet meer weet omdat mijn geheugen slecht is, dit komt voort uit desinteresse – zette haar handen in haar zij. Ongetwijfeld had ze een cursus ‘omgaan met lastige bejaarden’ gevolgd, maar was ze een burnout nabij. Ook zoiets: een burn-out, alsof iemand dat had toen je alles nog op de hand moest wassen. Wij hadden daar niet eens tijd voor. Nu denken de mensen te veel na, omdat ze iedere dag in de file staan en er op een gegeven moment niets meer uit de neus te peuteren valt. Dat is het probleem.
Hoe dan ook, burn-out of niet, ze reageerde niet geheel adequaat. ‘Nu moet u niet zo lastig doen, mevrouw Langhout. Die bak gaat eruit. Straks struikelt u over de rand en heeft u er spijt van dat u niet naar mij hebt geluisterd.’
Ik zei niets, maar sloeg mijn armen demonstratief over elkaar en keek haar strak aan.
‘Als u zo eigenwijs bent, weet ik niet of het verstandig is dat u nog op uzelf blijft wonen. Ik zou een rapport kunnen uitbrengen dat u wat verward bent de laatste tijd.’ Ze schoof me haar map onder de neus en glimlachte vals. ‘Hier uw krabbel graag.’
Je zou natuurlijk graag willen horen dat ik een geheime bandopname had gemaakt van dit gesprek en dat ik de superieuren van Miranda/Katelijn/Gemma had ingeschakeld, zodat ze oneervol ontslag zou krijgen. Maar ik had geen opnameapparaat en ik voelde me opeens moe worden. Ik was niet gewend aan zulke lange gesprekken.
Ik heb getekend.
Helaas heeft Miranda/Katelijn/Gemma gelijk gekregen. Vier dagen voordat de aannemer langs zou komen om de maten van de badkamer op te nemen, gleed ik uit. Ik struikelde echter niet óver de rand zoals Miranda/Katelijn/Gemma had voorspeld, ik klapte met mijn heup óp de rand. Een schrale troost.
Je hebt vast weleens zo’n verhaal gelezen over bejaarden die urenlang in hun badkamer liggen te creperen voordat ze gevonden worden. Nu, zo’n geval was ik ook. Ik heb gegild van de pijn, hopend dat iemand me zou horen. Zonder resultaat.
Het was een lange dag en een koude dag, want de verwarming in de badkamer stond niet aan, en zoals ik eerder vermeld heb was het januari. Ik lag spiernaakt half in de douchebak, half eruit en was niet in staat om te bewegen. Aan het einde van de dag was het niet zozeer de pijn die me nekte, maar de kou. Mijn lichaam was geheel verstijfd en ik vroeg me af of dit dan het einde was.
Pas tegen zevenen kwamen mijn bovenburen thuis. Een werkend stel dat me meestal niet eens groette. Alsof mensen boven de pensioengerechtigde leeftijd niet bestonden in hun wereld.
‘Help!’ riep ik zo hard als ik kon. ‘Helpt u me toch alstublieft!’
De voetstappen stokten op de trap. Ik wist dat dit mijn enige kans op redding was. Wederom gilde ik uit alle macht.
Er werd aangebeld. Ik riep dat ik in de badkamer lag en hoogstwaarschijnlijk mijn heup had gebroken. Toen ik gemorrel aan de voordeur hoorde, realiseerde ik me dat als ik gered zou worden de consequentie was dat de bovenburen mij naakt zouden zien in een niet al te flatterende pose.
Als je denkt dat het ouderen niet meer kan schelen hoe ze eruitzien, dan heb je het mis. Ik verfde mijn haar nog altijd donkerblond en stiftte iedere dag mijn lippen voor het boodschappen doen. Ik had mijn trots.
Ik probeerde mijn bovenlichaam uit de douchecel te schuiven om een handdoek te pakken. Maar zelfs de allerkleinste beweging was te pijnlijk.
‘We komen eraan,’ hoorde ik hem roepen door de brievenbus.
‘Maakt u zich geen zorgen.’ Ook dat nog. Ik hoopte nog zo op háár.
‘Verdikkeme,’ zei ik. ‘Verdikkeme nog aan toe.’ Ik zette mijn tanden op elkaar. Mijn éígen tanden, want een kunstgebit, daar begin ik niet aan. ‘Kom op, Truitje, je kunt het.’ Ik zette me af met alle kracht die ik in mijn armen had, waardoor ik uit de douchecel op de badkamervloer viel en mijn been, het been waarvan de heup gebroken was, in een vreemde hoek kwam te liggen en de pijn ondraaglijk werd.
Ik ben bewusteloos geraakt, vermoed ik, want hier zit een zwart gat in mijn geheugen. Toen ik bijkwam, zag ik de bovenbuurman vanuit de deuropening vol afschuw naar me kijken. Over zijn schouder keek de bovenbuurvrouw mee. Ze droegen allebei een colbert met krijtstreep.
‘Leg iets over me heen,’ bracht ik met moeite uit.
Er gebeurde niets. De bovenburen bleven in shocktoestand op mijn naakte lichaam neerkijken.
‘Leg iets over me heen!’ krijste ik.
De bovenbuurvrouw stootte haar man aan. ‘Je moet iets pakken om over haar heen te leggen. Een handdoek of zo.’
‘O ja,’ zei de man verstrooid. Schichtig betrad hij de badkamer, in een grote boog om mijn naakte lichaam heen, voor zover dat mogelijk is in een badkamer van tweeënhalf bij twee. Hij pakte de handdoek die ik inmiddels alweer tien uur geleden op de wastafel had klaargelegd. ‘Is deze goed?’
‘Hoe moet ik dat weten?’ zei de buurvrouw. ‘Mag het deze zijn, mevrouw?’
‘Ik had liever een pimpelpaarse met roze stippen gehad.’
Mijn bovenburen keken elkaar in complete vertwijfeling aan. Waarschijnlijk hadden ze veel verstand van computers of human resources of iets dergelijks en waren ze daardoor niet meer in staat om eenvoudige praktische handelingen te verrichten.
‘Dat was een grap. Ja, oudere mensen maken soms een grap, al zijn ze naakt en bijna dood. Leg hem nu alstublieft over me heen.’
‘Natuurlijk, natuurlijk.’ De buurman drapeerde de handdoek over mijn lichaam, fysiek contact vermijdend.
Nu ik bedekt was, voelde ik me iets beter, en ik had ook de indruk dat mijn bovenburen helderder konden denken nu ze niet meer naar mijn rimpelige borsten en andere in onbruik geraakte lichaamsdelen hoefden te kijken.
‘We zullen maar een ambulance bellen, hè?’ vroeg de bovenbuurvrouw.
‘Doet u dat.’
Ze hebben me nog een kaartje gestuurd in het ziekenhuis. Met van die oubollige theerozen erop. ‘Veel beterschap van Roald en Sanne’ stond erop.
Het was goed bedoeld, denk ik.

‘Wat een prachtig boek. Al vanaf bladzijde een zit je midden in het verhaal. Liefde, verdriet, bedrog, eenzaamheid, alles zit in dit verhaal. Ik ben er stil van. Marion Pauw weet over zo veel onderwerpen, zo mooi te schrijven, daar zijn geen woorden voor.’
boekenwurm-en-pleeg.nl

‘Weer een prijs waardig. Zondaarskind heeft een lichte humoristische toon. Bovendien zit het boek goed in elkaar.’
Boek magazine

‘Pauw werkt het thema vakkundig uit tot een lichtvoetige en vaak geestige schelmenroman.’
het Parool

‘Pauw formuleert krachtig en vaak zelfs prachtig. En ze is vaak grappig. Haar romans zijn allemaal voorzien van ondeugende twists. Die kunnen zitten in een absurdistische verhaalwending of de vorm aannemen van snedige observaties. Humor als relativering.’
NRC

‘Marion Pauw wordt steeds beter.’
Red

‘Marion Pauw heeft je al na twee bladzijden bij de kladden… Nagelbijtend spannend!’
Glamour

‘Lekker leesvoer.’
Viva